Besmettingswegen
Meestal nemen koeien en stieren gewoonweg duizenden kiemen op door het eten van besmet voedsel of het drinken van besmet water. Een kalf kan al in de baarmoeder besmet zijn of kan van bij de geboorte besmet worden door het drinken van biest of melk van een besmette koe.
De bacterie kan ook een binnendringen via de huid vooral ter hoogte van de poten,uier, en via ogen en ademhalingswegen.
Een besmette koe zal bij een verwerping of een kalving enorme hoeveelheden kiemen verspreiden o.a. via het vruchtwater, geboortemateriaal en urine.
Het inzetten van een besmette stier bij de dekking kan eveneens de infectie overbrengen.
Van besmetting naar ziekte
De binnengedrongen kiemen bereiken de lymfeknopen en via deze het bloed, van waaruit ze verspreid worden over alle organen. De ontwikkeling van symptomen en problemen kan zeer traag verlopen. Zo kunnen de kiemen maanden, of zelfs jarenlang in de lymfeknopen verborgen blijven voor ze zich verder in het dier verspreiden en zichtbare ziektetekens worden waargenomen. Tijdens deze rustperiode van de kiem, kan een bloed- of melkanalyse nog negatief kan zijn.
Bij volwassen dieren gaat de eerste bacteriëmie (verspreiding van de kiemen via het bloed) doorgaans onopgemerkt voorbij hoewel soms lichte algemene stoornissen optreden (matige koorts,…). Deze bacteriëmie houdt bij de meeste dieren vrij lang aan, maar verdwijnt ook geregeld om dan later weer met wisselvallige tussenpozen op te duiken, vaak bij het kalven.
Bij zo’n bacteriëmie vestigen de brucella’s zich in diverse organen en dan vooral in de uier, de baarmoeder, de teelballen, het beenmerg, de milt, de lever, de lymfeknopen, de peesscheden, de slijmbeurzen en de gewrichten.
De bacteriën kunnen op deze plaatsen blijven zonder enig zichtbaar symptoom (men spreekt dan van een latente infectie), hetzij aanleiding geven tot merkbare stoornissen die variëren naargelang de getroffen organen (bijv; kreupelheid, teelbalontsteking,…).
Indien het om drachtige koeien gaat, vinden de brucella’s vooral hun weg naar de moederkoek, de vruchtvliezen en de foetus. De vrucht sterft daarbij meestal af (nog in de baarmoeder of kort na de geboorte). Dit veroorzaakt tegelijk een necrotische placentitis die in de meeste gevallen aanleiding geeft tot verwerpen en tot vergroeiingen die verklaren waarom de nageboorte niet loskomt. Verwerpen kan in elk stadium van de dracht voorkomen, doch meestal rond de 6e of de 7e maand.
Aan te stippen valt dat bij iedere verwerping +/- 13.000 miljard brucella’s in het externe milieu terechtkomen.
Wanneer een besmette koe later opnieuw drachtig is, verwerpt zij steeds later of wordt de dracht voltooid.
De kiemen zullen zich bij elke kalving of verwerping via de vaginale secretie verspreiden. In de periodes zonder dracht blijft de kiem aanwezig in de baarmoeder gedurende maanden of zelfs jaren. Daarbij kan tijdens de bronst opnieuw verspreiding gebeuren.
Intussen heeft de kolonisering van de uier vaste vorm gekregen voor een periode van veranderlijke en soms zeer lange duur, wat de besmetting van de melk verklaart.
Een levensvatbaar kalf, geboren uit een besmette moeder, blijft vaak zijn hele leven lang drager en kan vanaf de geslachtsrijpe leeftijd kiemen verspreiden. De aankoop van vrouwelijke kalveren van onbekende oorsprong is dus niet altijd zonder risico.
|